Vlotvaren
door Sander de Haas en Art de Lange

|
Van boomstam tot vlot De scheepsvaart is al bijna even oud als de mensheid zelf. De eerste vaartuigen waren vermoedelijk gewone boomstammen, daarna werd de stam uitgehold en in de vorm van een boot gemaakt (de kano). Eerst gebruikte men handen en voeten om voort te bewegen, daarna werden er lange stokken of roeiriemen gebruikt. Toen de mensen erachter kwamen dat men vaster op het water lag als er meerdere boomstammen aan elkaar gebonden werden, was het vlot geboren. De mensen zetten er later ook zeilen op om nog sneller voort te bewegen. In bosarme gebieden was er nauwelijks of geen hout. Hier gebruikten ze rijsthout en stro. In het Middenoosten gebruikte de mens dierenhuiden en gevlochten wilgenenten. In Egypte werden er bundels papyrus samengebonden tot een vaartuig. Deze vaartuigen waren vaak wel 22 meter lang. Waar kan een vlot voor dienen en waar moet je rekening mee houden bij het bouwen ervan? Als je een rivier, vijver of kanaal in de buurt hebt is het leuk om een vlot te bouwen en die eens uit te proberen in het water. Voor kleine kinderen is het leuk er een avontuur van te maken. Ze spelen bijvoorbeeld dat ze piraten zijn en dat er allemaal krokodillen in het water zitten. Je kunt ook bijvoorbeeld bij een kinderfeestje een schatkaart maken die de weg wijst naar de te vinden schat. Er zijn vele variaties voor het bouwen van een vlot. Voor de meeste modellen heb je toch touwen, hout en vaten nodig, soms ook autobanden. De veiligheid bij het werken op het water is natuurlijk ook heel belangrijk. Bij het maken van een vlot moet je met de volgende dingen rekening houden: • Een voorwerp dat zwaarder is dan de verplaatste hoeveelheid water zinkt. (bijv. stenen) • Een voorwerp waarvan het gewicht gelijk is aan dat van de verplaatste hoeveelheid water zweeft. (bijv. een onderzeeër) • Een voorwerp dat lichter is dan de verplaatste hoeveelheid water blijft drijven. Hoe hoger een voorwerp boven het water uitsteekt, des te groter is het drijfvermogen. Als je een stuk hout in het water gooit zul je zien dat slechts een deel van het hout onder water ligt. Je zult het hout moeten belasten om te zorgen dat de bovenkant gelijk komt te liggen met de waterspiegel. Het gewicht dat hier voor nodig is noemen we het drijfvermogen. Het verschil in dichtheid tussen het water en het vlot geeft het drijfvermogen. Men bouwt altijd eerst het kader, daarna maakt men bijvoorbeeld de tonnen eraan vast en daarna eventueel nog een zeil. Om een vlottentocht te laten slagen is het drijfvermogen van het vlot erg belangrijk. Hoe bereken je dit? Een goed vlot maak je uit metalen of plastieken vaten die tegen een stootje kunnen en niet snel vervormen. Autobanden zijn minder aangewezen. De eerste de beste scherpe steen of tak doorprikt je vlot, met als gevolg dat je vlot zal zinken. Om het drijfvermogen te berekenen, neem je de (bekende) inhoud van de vaten (een tweehonderd liter vat heeft tweehonderd kilo drijfvermogen) en trekt daarvan het gewicht van het vat af en het gewicht van de balken of andere materialen die je gebruikt als vloer van het vlot. Een vlot wordt vrijwel nooit gelijkmatig belast. Het lijkt me immers sterk dat er mensen opstaan die hun gewicht precies kunnen verdelen over het vlot. Wat je dan doet is ongeveer 15% meer theoretisch drijfvermogen nemen dan je denkt nodig te hebben. Hoe minder balken je gebruikt, hoe minder gewicht je hebt. Je moet hierbij rekening houden met de volgende dingen: • De vaten worden vastgehouden door balken en touwen. • Elke verbinding moet je stevig vastsjorren met een kruissjorring. (hierover later meer) • De sjorringen kun je het best doen met touw dat ongevoelig is voor temperatuurverschillen. • Om het vlot zo stevig mogelijk te maken kun je minstens 1, maar het beste is 2 diagonalen op de constructie zetten. Die zorgen voor het ontstaan van driehoeken. ![]() Een klein vlot is beter bestuurbaar en komt sneller vooruit dan een groot vlot. Een breed vlot is dan weer veel stabieler. Wanneer je een vierkant of rond vlot hebt zul je veel rondjes draaien. Het beste is een driehoekig vlot te maken. Om sneller te kunnen varen moet het vlot achteraan iets zwaarder zijn dan vooraan. Met een bandenvlot moet je altijd uitkijken voor stenen of scherpe dingen in het water, daarom is het aan te raden beter tonnen te gebruiken.
![]() Hieronder zal ik een rekenvoorbeeld geven voor het bouwen van een vlot. Een patrouille van zeven leden (490 kg) gaat voor tien dagen op kamp (bagage 210 kg). Ze slapen onderweg in een patrouilletent (70 kg) en hebben verder bij: een patrouillekoffer (50 kg), foerage (40 kg), een sport- en spelkoffer (40 kg), sjorhout (400 kg) en shelters (80 kg). In totaal komt dit neer op 1380 kg te vervoeren gewicht. Het noodzakelijke drijfvermogen is dan: 1380 kg plus het gewicht van de vaten (30 kg per metalen vat) en het gewicht van de balken (proefondervindelijk vastgesteld op ongeveer 70 kg), rekening houdend met de veiligheidsmarge van vijftien procent! De berekening wordt dan: Massa: 1380 kg + 70 kg = 1450 kg Drijvermogen per vat: (200 kg – 30 kg) * 0,85 = 144,5 kg We hebben voor dit vervoer dus 10 vaten van 200 liter nodig. Dit voorbeeld is wel extreem. Meestal heb je veel minder drijfvermogen nodig of pas je het gebruik van het vlot aan het beschikbare drijfvermogen aan. ![]() ![]() ![]() ![]() |
Systematisch een vlot samenstellen Sander heeft een prima stukje geschreven over vlotvaren. We gaan nu wat dieper in op de organisatie van het vlotbouwen. We hebben enkele leuke foto's op internet gevonden die stap voor stap het opbouwen van een vlot laten zien... ![]() verzamelen van de juiste balken ![]() De balken op de juiste plaats ![]() De balken aan elkaar knopen ![]() De tonnen verzamelen ![]() De balken op de tonnen plaatsen ![]() De tonnen vastbinden ![]() Het vlot te water en opsteigen ![]() Vlotvaren... |
De kruissjorring.

Je slaat het touw ongeveer 3 keer om de palen heen. Elke winding leg je netjes naast de vorige en trek je stevig aan. Bij de losse paal worden de slagen naar binnen toe gelegd, en bij de vaste paal naar buiten toe. Daarna ga je woelen. Je slaat het touw tussen de palen door om de winding heen. Elke woeling trek je weer strak aan. De woelingen leg je naast elkaar. Je werkt van de vaste paal naar de losse paal toe. Tot slot werk je de sjorring af met een mastworp, gevormd door twee halve steken op de losse paal, en dit vlak na het woelen.

Tips voor optimale veiligheid:
1. drijf- of reddingsvesten
2. motorboot voor noodsituaties
3. Weersomstandigdheden inschatten (onweer etc.)
4. Watertemperatuur (optimaal boven 15 graden)
5. Voldoende peddels om zich te verplaatsen/sturen
6. Controle constructie/knopen door de instructeur
7. Maximaal 50meter vanaf de oever
8. Drijfmiddelen (tonnen) waterdicht en voldoende drijfvermogen