Geschiedenis van het Korps
De
Republiek der Zeven Verenigde ~ Nederlanden, speelde in de zeventiende eeuw een
belangrijke rol.
Het was het land met waarschijnlijk de grootste handels- en visserijvloot. Een
belangrijke bron van inkomsten werd via de zee verkregen. De zee fungeerde als
transportweg en als voedselbron. Veel grotere Europese landen als Frankrijk,
Spanje, Portugal of Engeland, benijdden de kleine Republiek om haar leidende
handelspositie. Vaak probeerde men in gewapende strijd de macht van de Republiek
te breken en de handels- of vissersschepen te veroveren. De oorlogen die
uitbraken werden dan ook voor een deel op zee uitgevochten. De zeilende
oorlogsvloten bestreden elkaar eerst met hun geschut. Daarna kwamen de schepen
zo dicht bij elkaar dat ze geënterd konden worden. Dan sprong 'het volk' over op
het vijandelijke schip en ontstond een gevecht van man tegen man. De matrozen
die veelal van de handels- en visserijvloot kwamen, waren geoefend in het wenden
en keren van de schepen.
De kanonniers die voortreffelijk met het geschut konden omgaan, waren geen
infanteristen en dus ook niet geoefend in een man tegen man gevecht. In veel van
de zeeslagen bleek het beslissende gevecht van man tegen man dan ook de zwakke
plek. Aan boord zaten dus wel puike zeelieden, maar het waren daarmee nog geen
goede soldaten! Daarom besloot de opperbevelhebber van de vloot,
luitenant-admiraal jonkheer Philips van Dorp in 1627 duizend soldaten over de
schepen van zijn vloot te verdelen om, tijdens het entergevecht, het
soldatenhandwerk van de matrozen over te nemen. Zij waren de voorlopers van de
mariniers!
In 1648 kwam een einde aan de Tachtigjarige Oorlog tussen de Republiek en Spanje.
Dat betekende het einde van een lange en kostbare strijd. Zoals na iedere oorlog
werden onmiddellijk grote delen van leger en vloot ontslagen, zo verdwenen dus
ook de zeesoldaten weer van het toneel. De opheffing bleek van korte duur te
zijn. Al in 1652 maakte een volgende tegenstander zijn opwachting voor de
zeegaten van de lage landen: de Eerste Engelse Oorlog brak uit om de macht ter
zee. De oorlog begon goed voor de Republiek met een aantal gewonnen zeeslagen in
1652. Maar door overwinningen van de Engelse admiraals Blake, Monk en Deane in
de Driedaagse Zeeslag in het voorjaar van 1653 kon de Hollandse en Zeeuwse kust
geblokkeerd worden. Bij gebrek aan enigszins geoefende zeesoldaten werden
lichtingen van het landleger aan boord gebracht. Mede hierdoor boekte Maarten
Harpertszoon Tromp in augustus 1653 een krappe overwinning in de beslissende
Slag bij Terheijde. Het optreden van de ingescheepte nieuwbakken scheepssoldaten
stelde echter ernstig teleur. Dit werd veroorzaakt doordat de soldaten veelal
zonder kader aan boord waren gekomen en aan boord zich eigenlijk niemand met hen
bemoeide, laat staan de leiding op zich nam. De grootste boosdoener was echter
de zeeziekte! Het gros van de soldaten lag voor Pampus in het vooronder. Tot
overmaat van ramp sneuvelde Tromp in deze zeeslag.
Toen in 1664 een tweede oorlog met Engeland dreigde, plaatsten de Staten-Generaal
4.000 infanteristen van het staatse leger, de landmacht van de 17de en 18de eeuw,
op de schepen van de vloot en noemden dit het "corps de marine". In de eerste
zeeslag van de Tweede Engelse Oorlog ( 1665-1667), bij Lowestoft op 13 juni
1665, leed de staatse vloot een forse nederlaag. Er werden echter een paar wijze
lessen geleerd! Bij het samenstellen van de oorlogsvloot moest men geen
koopvaarders meer inhuren zoals tot dan in grote aantallen gedaan werd. Op het
beslissende moment van een zeeslag werden de gezagvoerders beducht voor hun
eigen hachje of het behoud van hun schip en lieten het afweten. Ook diende de
vloot eerst samen te oefenen, dat was ook nooit eerder gebeurd. De soldaten
moesten onder het gezag van hun eigen kader blijven, officieren en
onderofficieren moesten dan ook mee aan boord. De soldaten moesten zeebenen
hebben of anders gezegd zij moesten reeds gevaren hebben.
